Geschiedenis van de kerk

Een parel in de Liemers

Dicht bij de Bandijk, die vroeger de bannerheerlijkheid Bahr en de heerlijkheid Lathum doorsneed, staat de Lathumse kerk, die oorspronkelijk al rond 1350 als kapel gezichtsbepalend was, nabij de splitsing van Rijn en IJssel.
Getransformeerd tot kerk in 1528 is ze al eeuwenlang het middelpunt van Lathum.

De oorspronkelijke kapel was gewijd aan de heilige maagd Maria. In 1363 wordt in het pauselijk paleis te Avignon, met machtiging van paus Urbanus, verlof gegeven om een huiskapelaan voor de Middagter kapel te benoemen. Elsebe van Middagten stelt op die post Goeswijn van Campen, kapelaan te Lathum aan. Hieruit blijkt dus dat al in de 14de eeuw in Lathum een kapel bestond. Deze kapel was onderhorig aan de parochiekapel in Rheden en in 1528 maakt pastoor Boeve de kapel te Lathum tot parochiekerk.

Zonder ingrijpende schermutselingen wordt de Lathumse parochiekerk een reformatorische kerk in het midden van de 16de eeuw. Rond deze tijd wordt al Johannes Fontanus als ambulant predikant in Lathum genoemd.
Vanaf 1609 wordt van Conradus Sagelius uit Westervoort gesproken, die in Lathum predikte.

De eerste officieel beroepen predikant in 1614 is Wilhelmus Mollerus, die, met een onderbreking van 1672-1674, de lijst van 43 predikanten aanvoert, die gedurende 390 jaar het ambt te Lathum uitgeoefend hebben.

De huidige zaalkerk te Lathum is ontstaan uit de kapel, die in de 14de eeuw is gebouwd door de bannerheren van Bahr. De grootte van de kapel valt af te lezen aan de naad in de noord- en zuidmuur. Toen in 1495 de kapel tot kerspelkerk van Bahr en Lathum verheven werd, ontstonden er direct bouwactiviteiten om de kapel te verlengen met een schip. Dit is duidelijk waar te nemen, omdat het schip een ander formaat stenen heeft. Bij de sprong met de toren eindigde het schip met een topgevel. Dit is nog waar te nemen in het interieur van de toren. De toren is pas in de 16de eeuw gebouwd en als het ware over de topgevel van het schip heen gezet. Bij het kerkdak kan men door de galmgaten nog een boog zien, die de spits ondersteunde. Bij het bouwen van de toren is ook de ingang gewijzigd. Boven de huidige ingang is een zandstenen plaat aangebracht, die herinnert aan de verwoesting van slot Bahr. Het torenportaal wordt overwelfd door een Nederrijns netgewelf.

In de tweede helft van de 19de eeuw is het interieur van de kerk grondig veranderd. De oorspronkelijke eikenhouten kap werd aan het oog onttrokken, waardoor een kerkzaal ontstond. Waarschijnlijk is ook in deze tijd de galerij geplaatst. De preekstoel heeft een fraaie messing bekkenhouder met doopschaal en een messing lezenaar daterend uit de 17de eeuw. Beide zijn voorzien van de alliantiewapens van de geslachten van Westerholt en van Renesse van Elderen.

In 1973 is een nieuwe plavuizenvloer en elektrische vloerverwarming aangebracht. In 2005 is het kerkinterieur grondig gerestaureerd. De kerkbanken zijn vervangen door stoelen om zodoende mede te kunnen beantwoorden aan de multifunctionaliteit van de kerk.

In de zandstenen plaat boven de ingang van de kerk staat o.m. de belegering van het slot Bahr beschreven:
Na een door hertog Karel gelaste belegering van zes weken is op Hemelvaartsdag 1495 het slot Bahr en Lathum met verdedigingswerk en kapel ingenomen, verwoest en met de grond gelijkgemaakt. Op bevel van Jan van Egmond, bannerheer van Bahr en Lathum, ridder van het Gulden Vlies, stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland, en van Magdalena, gravin van Werdenberg, echtgenote, is de eredienst overgeplaatst naar deze aan de Heilige Maagd en Moeder Gods gewijde kapel.
De steen met de tekens JD 1692 is op de zuidermuur van de kerk ingemetseld ten bewijze van het feit dat Jan Donckers, “catholiek” zijnde, in 1692 het recht verleend was om in de kerk begraven te worden.


Voor de geschiedenis van ons kerkgebouw verwijzen wij verder naar de publicatie Geschiedenis van de Lathumse kerk : een parel in de Liemers door C.R.H.I. (Pim) de Jonge (Dieren, 2008). De bovenstaande tekst is ontleend aan deze publicatie.